Beplantingsplan in landelijk gebied

De kern van een beplantingsplan bestaat uit de keuze van boom- en struiksoorten en de plantverbanden. Daarbij vervullen de functies van de toekomstige beplanting een sleutelrol. Hieronder volgt een voorbeeld van de invulling van dergelijke functies.

Een belangrijk aspect is de hoeveelheid onderhoud die men wil uitvoeren. Als de beheerder de eerste twintig tot dertig jaar geen omkijken wil hebben, zal hij kiezen voor groepsgewijze aanplant, met één soort per groep en een eenvoudige menging. Een voorbeeld van zo’n eenvoudige menging is een boskern bestaande uit maximaal drie hoofdboomsoorten, met struikengroepen aan de randen.

Functies

De hoofdfuncties voor een bos zijn vaak recreatie en natuur, de nevenfunctie kunnen bestaan uit bijvoorbeeld houtproductie en ruimtelijke indeling van het landschap.

Bij deze functies zijn de volgende aspecten van belang:

  • Recreatie
    • Bos als decor voor diverse vormen van recreatie
    • Goede toegankelijkheid
    • Belevingswaarde door bloei, bessen, bladvorm, structuur
    • Natuurbeleving door het verhogen van trefkans van vogels, kleine zoogdieren, paddenstoelen, bloemrijke vegetaties, etc.
    • Gebruikswaarde, bijvoorbeeld als klimboom
    • Sociaal veilig: doorzicht, overzicht
  • Natuur
    • Ruimte voor natuurlijke bosontwikkeling, spontaniteit
    • Nastreven van bosstructuur, horizontaal en verticaal
    • Diversiteit aan kenmerkende planten- en diersoorten
    • Op termijn aanwezigheid van dood hout of oude dikke bomen met holtes
    • Functioneren als onderdeel van een ecologische verbindingszone
  • Houtproductie
    • Boomsoortenkeuze afstemmen op goede groei, zowel voor de bulk als kwaliteitshout
    • Ontsluiting houtafvoer
    • Vastleggen CO2
    • Stamkwaliteit duurzame houtsoorten
  • Landschap en overige functies
    • Benadrukken verkavelingsstructuur
    • Afschermen, scheiding
    • Kenmerkendheid van het element in het omringende landschap
    • Vasthouden van regenwater

Uitgangspunten beplantingsplan

De beplantingsvorm die gekozen wordt, dient bij te dragen aan de functies, extensief te beheren zijn en eenvoudig aangelegd te kunnen worden.

Vanwege de mix van functies, de ‘doelen van vandaag’ en de onzekere toekomst, dient het beplantingsplan een flexibel en integraal karakter te hebben. Belangrijke kenmerken van geïntegreerde bosaanleg zijn:

  1. Menging van soorten, vanwege diversiteit, risicospreiding, stabiliteit van het bos en belevingswaarde.
  2. Gevarieerde bosstructuur (verticaal en horizontaal), omdat het bijdraagt aan de biodiversiteit en de natuurbeleving. Gevarieerd en gemengd bos is flexibeler voor veranderende toekomstige wensen. Bij de aanleg kan hiervoor een basis gelegd worden.
  3. Toepassen van inheemse soorten, vanwege de daaraan gebonden soorten (vooral insecten) en de bedrijfszekerheid, omdat ze beter aangepast zijn aan de groeiplaats en klimaatverandering.
  4. Open plekken, omdat ze bijdragen aan bosstructuur, plekken zijn voor spontane bosvorming en de bosbeleving verhogen
  5. Bosranden met geleidelijke overgangen zijn van grote betekenis voor planten en dieren. In een dergelijke rand komen struiken beter tot bloei en besdracht, vallen beter op en dragen daardoor bij aan de belevingswaarde.
  6. Dood hout leeft, doordat het huisvesting biedt aan schimmels, mossen, varens en een groot aantal soorten insecten en daardoor insecteneters. Staande, hangende en liggende dode bomen hebben ieder hun eigen soorten bewoners. Denk ook aan ‘holbewoners’ als spechten en de boommarter.
  7. Markante elementen, zoals bijzondere bomen, open plekken en waterpartijen dragen in sterke mate bij aan de belevingswaarde.
  8. Kwaliteitsstammen zijn van belang voor de productie van waardevol hout. Daarvoor is niet alleen een deskundig beheer nodig, maar zijn ook juiste plantafstanden (niet groter dan 1,5 m) van belang.
  9. Toegankelijkheid is van belang voor de beleving door de recreant, voor beheerwerkzaamheden en voor de afvoer van houtoogst.
  10. Het snel bereiken van het gewenste bosbeeld wordt gewaardeerd door bezoekers
  11. ‘Bomen op rijtjes’ levert weinig waardering op bij het publiek.

Hieronder volgen beelden van beplantingsvormen die zich lenen voor geïntegreerd en extensief bosbeheer.

De beplantingsvorm die hierboven nog ontbreekt is ‘opgaande bomen, gecombineerd met struikvormende soorten’. Deze komt op natuurlijke wijze pas tot stand, als een bos min of meer volgroeid is en het kronendak na de stakenfase meer licht door laat. Dat overgangsstadium is nu herkenbaar bijvoorbeeld in het Amsterdamse Bos. Als een dergelijke beplantingsvorm aangeplant wordt, is deze alleen met grote beheersinspanning (kosten) goed in stand te houden.

Bij de vaststelling van de sortimenten wordt aansluiting gezocht bij de groeiplaats: bodem, water en klimaat. Dit is de beste garantie voor een zo natuurlijk – en daardoor zo goedkoop – mogelijke ontwikkeling, in bos waar de hoofdfunctie zowel natuur als recreatie is.

Wat hierbij helpt zijn de bodem- en grondwatertrappenkaart. Meestal vindt van deze weinig gedetailleerde kaarten in het veld een naverkenning met de grondboor plaats.

Om beheerproblemen te voorkomen en de menging duurzaam in stand te houden, wordt geadviseerd een menging te kiezen van maximaal drie hoofdboomsoorten. Dit neemt niet weg dat andere boomsoorten mee gemengd kunnen worden, maar dan in kleine percentages (maximaal 10 procent). Soorten die weinig concurrentiekrachtig zijn, worden in groepen geplant.

Voor het bereiken van het gewenste gevarieerde beplantingsbeeld, speelt de factor tijd een belangrijke rol. De variatie die we kennen van oudere beplantingen, is in de loop der jaren door het gevoerde beheer en door de natuur zelf toegevoegd. Deze toegevoegde waarde is (zonder grote onderhoudsinspanningen) bij de aanleg niet aan te brengen. Niet door ‘rijke’ sortimenten, maar ook niet door tijdelijke variatie met plantverbanden en/of grootte van het plantsoen.

De soortensamenstelling bestaat uit soorten, die qua groeiritme en groeiruimte op elkaar afgestemd zijn. Het is mogelijk om het bos door deze opzet de eerste 20 tot 30 jaar zonder ingreep zich te laten ontwikkelen. In de periode erna zal een beheer worden gevoerd, waarbij de nadruk ligt op versterken van structuur in het bos. Bijsturen in de soortensamenstelling kan ook een rol spelen.

Hier volgen twee voorbeelden van mengingen op rijke gronden.

Droog Essen Iepenbos

Op bodemtype ooivaaggrond in klei, zonder directe grondwaterinvloed (grondwatertrap VI)

Boomsoortenmenging:

iep – esdoorn – zoete kers

eik met beperkte ondergroei van haagbeuk of linde

5 tot 10 % bijmenging in groepen: beuk, zwarte populier

De zwarte populier 30 stuks per ha verspreid doorplanten.

Struiken: meidoorn – hazelaar – gelderse roos – spaanse aak – hondsroos – rode kornoelje

Ruigt Elzenbos/ Gewoon Elzenbroek/ Schietwilgenbos

Boomsoorten: zwarte els – zachte berk – wilg/populier

Struiken: zwarte bes – grauwe wilg/amandelwilg/katwilg – vuilboom – gelderse roos

In afwijking van de zwarte populier uit de PNV, wordt hier voorgesteld om vanwege de houtproductie een aantal populierenklonen toe te passen: Agathe F, Florence Biondi, Brandaris en Koster. De klonen zijn geselecteerd op hun productie (140 tot 230 % van kloon Robusta) en hun minder rechte en minder regelmatige groeivorm. Dit laatste aspect heeft met belevingswaarde te maken, zodat er geen ‘houtakker-effect’ ontstaat.

Plantafstand en plantwijze

De plantafstand van de bomen wordt in bosverband bepaald door het gewenste bosbeeld en de functie. Voor de nevenfunctie houtproductie is een afstand van 1,5 m (of kleiner) aan te bevelen, omdat dan de kans op natuurlijke takreiniging en een goede (rechte) stamvorm het grootst is. Ook is dan de kronensluiting in de jonge beplanting het snelst bereikt en wordt de vocht- en voedselconcurrentie van gras uitgeschakeld.

Voor andere functies (recreatie, natuur, vastleggen CO2) kan vanuit kostenoogpunt en/of inspanning een wijder plantverband gekozen worden. Om te voorkomen dat de onderste takken niet te wijd uit groeien en daarmee in een later stadium minder licht geven aan de ontwikkeling en het uitzaaien van struiken, wordt voor bosplantsoen een plantafstand van maximaal 2 meter geadviseerd. Bij deze wijdere plantverbanden zal echter bij uitval in de eerste jaren eerder (en meer) ingeboet moeten worden, dan bij dichter plantwerk. Om de inboet zoveel mogelijk te voorkomen en vanwege het multifunctionele karakter van het bos, is het in het algemeen aan te bevelen te kiezen voor een plantafstand van 1,5 x 1,5 meter.

Voor populier en wilg wordt vaak een plantverband van 7 x 7 m aangehouden. Eventueel kan onderscheid gemaakt worden tussen wilg met plantverband 6 x 4 en populier 8 x 8 meter. Deze wijde plantverbanden zijn nodig, vanwege de lichtbehoefte van deze soorten en om te voorkomen dat de kronen in elkaar groeien. Vooral bij populier zal een gesloten kronendak de oorzaak van aantasting door ziekten kunnen zijn. In en tussen de rijen van populier en wilg worden de andere boomsoorten geplant. Bij de populier zal voor houtproductie binnen 20 jaar gedund moet worden, maar ook om de ondergroei voldoende licht te geven. De wilgen zullen vaak na 15 jaar her en der aangetast gaan worden door de watermerkziekte, waardoor van nature al een dunning plaats vindt. Het is niet de bedoeling deze bomen dan te vervangen, maar dit te beschouwen als een spontane ontwikkeling. Dood hout heeft een toegevoegde waarde voor de natuur- en belevingswaarde van het bos. Alleen als een dode wilg binnen 10 meter vanaf een pad staat, kan de veiligheid van de recreant een reden zijn de boom te vellen.

In bos waar struikengroepen en struikenranden aangeplant wordt, zal ook vlak na aanleg voldoende variatie door bezoekers ervaren worden. Dat zal bij het ‘open bos’ minder het geval zijn. Om te voorkomen dat dit type bos tot ver in de stakenfase als ‘saai’ ervaren wordt, is het aan te bevelen met het planten aan het eind van de rij een ‘sinusboog’ te maken. Daarnaast helpt het om na het plantwerk, groepen schaduwverdragende (struik- of boom)soorten in wild verband te planten.

De bospaden van de laagste orde hoeven niet van tevoren uitgezet te worden. Eerst wordt het hele vak geplant. Daarna worden langs het tracé van het pad weer bomen uitgetrokken. Dit geeft een ‘spannender’ verloop van het pad.

De te planten groepen met boomsoorten dienen een omvang van 1 tot 1,5 keer de eindhoogte te krijgen. Dus bij 25 m hoogte, is dat een groepsdiameter van 25 tot 38 m. Dat is de omvang van 1 tot 5 volwassen bomen. De grootste omvang van 38 m is nodig voor lichtsoorten en soorten met brede kronen, zoals eik.

Spontane ontwikkeling

Soorten als es, esdoorn, spaanse aak, zoete kers en kornoelje beginnen zich binnen 15 jaar al uit te zaaien. Om ruimte te geven aan deze spontane ontwikkeling, wordt voorgesteld 20 % van de oppervlakte bos niet te beplanten. Dit kan uitgevoerd worden door binnen het bosvak verspreide open ruimtes uit te sparen, met een diameter van 30 tot 50 meter. Dit principe kan toegepast worden op beplantingsvorm 1 en 4:

  • Opgaande bomen – doorzicht op ooghoogte; open bos
  • Struikvormende soorten met hier en daar een boom (gesloten beeld, meer massa)

Het is niet de bedoeling dat deze open ruimtes worden gemaaid of beheerd.

Tot slot

Met deze pagina heeft u een indruk op welke manier een beplantingsplan tot stand komt. Een vertaling naar de lokale omstandigheden en wensen is nodig. Voor een nadere toelichting kunt u altijd contact met mij opnemen.